
"Een driedimensionaal boek van de kunstgeschiedenis"
Het is een vesting en zo ziet het er ook uit: het Collectie Centrum Nederland in Amersfoort. Je komt moeilijk binnen! Maar op initiatief van rijtuigkenner Jan van Asperen brengen we toch een bezoek. We worden rondgeleid door archeoloog en bijzonder hoogleraar Hans Piena. Wat een buitenkans!
Nadat onze identiteit bij de ingang zorgvuldig is gecheckt, mogen we gelukkig naar binnen. Zonder jas. Zonder tas. Alleen een mobiele telefoon voor het maken van een fotootje van onszelf of van een kunstwerk is toegestaan. “Geen foto’s maken van deuren of sluitingen, we worden met camera's in de gaten gehouden”, zegt Piena. En dat is geen grap… Wij, dat zijn Arie van der Koppel, Bert Huis in ‘t Veld, Jan van Asperen en ik. Van der Koppel was naast boer als deskundige ook al ruim vijfendertig jaar verbonden aan het Streekmuseum Baron van Brakell in Ommeren. Hij is daar nog wekelijks. Mensport publiceerde eerder een verhaal met hem en het Streekmuseum Baron van Brakell. Bert Huis in ‘t Veld uit Ruigahuizen in Friesland is door zijn eigen grootvader een trouw kenner en liefhebber geworden van sjezen en sledes. Jan van Asperen is gespecialiseerd in authentieke, gebeeldhouwde boerenwagens. Hij vindt de schoonheid van cultureel erfgoed nooit vervelen. En de kennis erover ook niet! En daarmee zijn wij in het Collectie Centrum Nederland op een heel goed adres. Hans Piena bevestigt: “Dat zijn jullie zeker! Wij ontvangen eigenlijk geen doorsnee bezoekers. We laten alleen onderzoekers toe…”
Kunst van vier musea
En te onderzoeken valt er genoeg. Het Collectie Centrum Nederland wordt wel eens ‘het fysieke geheugen van Nederland’ genoemd. Het bevat de collectie van vier instellingen: het Nederlands Openluchtmuseum, het Rijksmuseum, Museum Paleis Het Loo en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Er worden collecties bewaard van waaruit regelmatig wordt tentoongesteld. “Eigenlijk hangt het hier veiliger dan in de musea zelf”, zegt Piena. Dat hebben wij bij binnenkomst al kunnen ervaren. Piena benadrukt dat bij onheil zelfs de omliggende parkeerruimte rond het Collectie Centrum in een mum van tijd kan veranderen in een zakkend moeras waar je niet meer op eigen kracht uitkomt. Een gewaarschuwd mens… Het Collectie Centrum Nederland is dus het fysieke geheugen van Nederland. “Met in totaal een half miljoen objecten, is het met recht een driedimensionaal boek van de kunstgeschiedenis”, zegt Piena, “Wetenschappers kunnen voor het eerst voorwerpen uit de koninklijke verzameling bestuderen, naast alledaagse gebruiksvoorwerpen. En alles wat daartussen zit.” Deze samenwerking zorgt voor kostenbesparing en maakt faciliteiten mogelijk die de hele cultuursector ten goede komen.
Duurzaamheid
Duurzaamheid stond voorop bij de ontwikkeling van Collectie Centrum Nederland. Het gebouw creëert zo veel mogelijk zelf het vereiste klimaat. Door de buitenmuren wèl, maar de vloer nièt te isoleren, zorgt de onderliggende aardlaag voor een constante temperatuur van 12 tot 15 graden, perfect voor de opslag van de collecties. Met 3.700m2 aan zonnepanelen op het dak produceert het Collectie Centrum Nederland alle eigen elektriciteit. Regenwater wordt opgevangen en gebruikt voor de toiletten. Het ontwerp van het landschap rondom het gebouw draagt bij aan de ontwikkeling van de lokale flora en fauna. Het Collectie Centrum Nederland kreeg met 5 sterren (‘outstanding’) de hoogst mogelijke score voor duurzaamheid.
Collectie
De objecten die in het Collectie Centrum Nederland worden bewaard, lopen uiteen van schilderkunst, kunstnijverheid en meubels tot sieraden, kleding en klokken. Wij zien meteen een prachtig schilderij van Koning Willem II op een schimmel. “Ja, een portret uit een heldhaftige fase van het leven van Koning Willem II. Het beeldt de slag bij Waterloo uit van 1815. Of het nu afkomstig is uit Paleis Het Loo of het Rijksmuseum, alle schilderijen hangen bij ons door elkaar.”, zegt Piena. Wij zien bijvoorbeeld ook de meest fantastische opgeslagen klassieke kleding hangen en een rococo-kast uit de 18e eeuw met inlegwerk. “Dat is parketterie”, verbetert Piena, “het inlegwerk is een aaneensluitende laag fineer. Stukjes laten makkelijk los en moeten regelmatig worden teruggelijmd. We hebben heel goede restauratoren in dienst”.
Opgeslagen tegeltjes op tableaus zijn afkomstig uit oude huizen. “Ze hebben zeker niet allemaal zo op wanden in huizen gezeten”, weet Piena, “Verzamelaars of het museum zelf hebben de losse tegels verzameld en daarna op tableaus gezet.” Het stoelendepot heeft ruim 1000 stoelen uit vier eeuwen, van de koning tot de schilleboer, en zelfs rolstoelen en zittekisten.
Rijke Nederlandse geschiedenis
De koninklijke koetsen staan in het Collectie Centrum Nederland nu pal naast boerenkarren. En daar gaat voor Mensport nu juist onze grootste interesse naar uit. De rijtuigcollectie van Museum Paleis Het Loo in Apeldoorn toont invloeden uit heel Europa, weet Piena. Maar in de stallen daar staan geen paarden meer, maar rijtuigen, auto’s en sleden. “En in Museum Paleis Het Loo speelt de geschiedenis van het Koninklijk Huis een belangrijke rol", benadrukt Piena. De maakplaats is daarom niet de essentie. Een rijtuig dat in Parijs is gemaakt of de glazen koets uit Brussel, kan evengoed een hele rijke Nederlandse geschiedenis hebben.
Hermans
De heren herkennen meteen rijtuigbouwer Hermans tussen de opgeslagen koetsen. Een rijtuig dat bij ‘t Loo vandaan komt, is Duits. “Dat moet een Duitse coupé zijn”, zegt Bert Huis in ‘t Veld. “Dat maakte Hermans nooit zo. Het is wel bij Hermans gerestaureerd. Je kan zien dat de naamplaatjes op de stofdoppen er op gesoldeerd zijn”. We belanden meteen midden in de roemruchte geschiedenis van het bedrijf Hermans. Zadelmaker Hermans begon in 1841 met zes mensen een rijtuigwerkplaats aan de Korte Poten in Den Haag. Tien jaar later verhuisde hij naar de voormalige knopenfabriek Mansvelt & Zoon en liet het gebouw ombouwen tot rijtuigfabriek. In 1855 werd de fabriek met een grote binnenplaats ingewijd. Toen werkten er al 50 mensen! De Hermans-rijtuigen zijn nog steeds herkenbaar. Bij Hermans is het laatste stukje in de spaak recht. Het bovenkantje in de spaak is ook recht gemaakt. De nieuwere ‘Hermansen’ hebben een andere sluiting. “Het ziet er eigenlijk haast te mooi uit”, bevestigen de heren. De velgen zijn helemaal van staal. De bussen eraan, dat is puur Duits, dat deden ze in Nederland niet. De sierkrullen zijn wel typisch Hermans. Een Hermans werd gekenmerkt door hele andere wielen dan andere destijds gemaakte rijtuigen. In 1855 nam Hermans met zijn rijtuigen ook deel aan de wereldtentoonstelling te Parijs en won een medaille van de tweede klasse. Op het hoogtepunt van het bedrijf werkten er 155 mensen. Ook Prins Frederik bezocht de fabriek en bekeek bijvoorbeeld het rijtuig dat bestemd was voor de Koningin van Zweden. Veel gangbare stads- en dienstrijtuigen zoals Coupé’s, Landauers, Victoria’s en Galaberlines werden er vervaardigd, ook voor het buitenland. Daarnaast werden er voor vorsten in binnen- en buitenland galarijtuigen vervaardigd. In 1898 gaf Koningin Emma de door Hermans gebouwde Crême Calèche aan haar dochter Wilhelmina vanwege haar kroning. In 1916 begon de krimp en in 1927 werd het bedrijf opgeheven. Hermansen worden dus niet meer gebouwd, maar ze bestaan nog steeds, zijn ook in het Collectie Centrum Nederland te zien en in dit verslag te bewonderen.




